Het uimteschip

Het is zeven uur en ik lig al in mijn bed. Normaal mag ik tot acht uur opblijven, maar mijn ouders waren weer boos. Eerst op elkaar en daarna op mij. Zo gaat het helaas al een paar maanden. Meestal begint mijn vader ineens hard te praten. Op dat moment zegt dat stemmetje in mijn hoofd: ”Oh nee, daar gaan we weer”. Daarna begint mijn moeder met spullen te gooien. Dat gooien is dus ook de reden dat ik vandaag geen t.v. kan kijken. De afstandsbediening vloog vorige week tegen de muur aan en de hele vloer lag vol met plastic stukjes. De batterij rolde toen onder de kast, ik denk dat hij daar nog steeds ligt.
    Toen ze vandaag weer begonnen, trok ik meteen de deken over mijn hoofd. We hebben zo’n heerlijk zachte deken waar ik altijd graag onder lig te lezen als ik op de bank lig. Het is jammer genoeg geen magische deken die geluiden kan tegenhouden. Nog steeds hoorde ik schreeuwen en nog steeds vlogen er kopjes tegen de muur. Snel propte ik de oortjes van mijn telefoon in mijn oor en zette mijn favoriete muziek aan. Net nadat het nummer was gestart zag ik dat ik nog maar 4% batterij had. Ik maakte mijzelf zo klein mogelijk en hoopte dat mijn telefoon dat ook zou doen.
    Na iets meer dan vijf minuten stopte het geluid. Meteen hoorde ik de herrie weer. Argh. En toen, ineens, ik weet ook niet waarom, maar ik ontplofte. Ik sprong van de bank af, rende naar de keuken en ging recht tegenover hen staan. Mijn handen in mijn zij en met mijn meest boze gezicht. ‘Zijn jullie al klaar? Jemig, jullie lijken wel een stel kinderen.’
    Het resultaat ken je al. Ik lig dus op bed. Nadat ze mij boos naar boven hadden gestuurd, lig ik nu te wachten tot mijn iPhone weer tot leven komt. In de kamer naast mij hoor ik wat gerommel. Robbie, mijn broertje, was al eerder naar boven gegaan. Hij is nu elf en twee jaar ouder dan ikzelf. Het gestommel gaat maar door. Wat is hij aan het doen? Zal ik gaan kijken? Heel langzaam duw ik de deurklink van mijn slaapkamerdeur naar beneden. Op de gang kraakt het hout als ik er zachtjes overheen loop. Geruisloos sluip ik zijn kamer in. Robbies bed is leeg, zijn raam staat open en het maanlicht schijnt door de wapperende gordijnen zijn kamer in.
    Vanuit zijn slaapkamerraam kijk ik naar buiten. Aan het eind van onze tuin zie ik iets dat eruitziet als een enorm grote metalen pot pindakaas met kleine raampjes erin. De pot is net zo hoog als het rode klimrek op het schoolplein. Vanuit de raampjes komt een zachtgeel licht naar buiten. De buitenkant begint steeds langzamer rond te draaien, waardoor dat ding lijkt op een draaimolen van de kermis die bijna klaar is voor de volgende groep kinderen. Het gele licht danst steeds langzamer rond en steeds zie ik een flits van Robbie. Hij staat naast dat enorme gevaarte. Ineens gaat een grote deur open. Het lijkt op zo’n ophaalbrug van een kasteel. Nog meer licht in de tuin. Het metalen ding sist en er komt een lichte damp uit. Ineens snap ik waar ik al bijna een minuut lang (met mijn adem ingehouden) naar heb staan kijken. Het is een raket. Of een soort van ruimteschip, maar dan eentje zonder punt aan de bovenkant.
    Mijn hele lichaam verstijft en ik hou mijn adem in. Staat Robbie daar wel veilig? Straks komt er ineens een alien naar buiten. Een groen eng slijmerig monster. Of een groot stinkend insect met twee keer zoveel poten als een spin. In gedachten zie ik Robbies spartelende benen uit zijn mond hangen. Oh nee! Meteen schiet ik in mijn badjas. Ik ren weg en wurm mijzelf onderweg nog in mijn slippers. Bijna val ik van de trap af. Met elke stap naar beneden hoor ik mijn ouders meer ruzie maken. Ik ren door de keuken, weet nog net een vliegend koffiekopje te ontwijken en verdwijn de tuin in zonder dat ze mij hebben gezien. Het eerste dat ik zie, is dat Robbie zijn hand opsteekt. Hij zwaait en lijkt te lachen. Vanaf de metalen ophangbrug komt geen spin, geen slijmerig monster, maar een jongen van Robbies leeftijd. Zijn huid geeft licht en zijn nek is langer dan die van ons. Verder lijkt hij op een gewone jongen. Althans, voor zover je het gewoon kan noemen dat er een ruimteschip in je tuin is geland waar een lichtgevende jongen uit komt lopen.
    ‘Robbie? Wie is dit? En ben je niet bang?’ Mijn ogen schieten heen en weer tussen de twee jongens die elkaar vriendelijk staan aan te kijken.
    Ze beginnen allebei te lachen. ‘Is dat je zusje?’ vraagt de verlichte jongen.
    ‘Ja, dit is Rosalie.’
    ‘Hoi Osalie. Ik ben Obbie.’
    Osalie? Obbie? Mijn broer trekt zijn wenkbrauwen omhoog en haalt zijn schouders op. ‘Robbie, wat is dit? Jullie kennen elkaar?’ En ineens begrijp ik het. Ik moet in slaap zijn gevallen. Ik droom. Of niet? Hoe moet ik nou weten of ik droom of dat ik wakker ben? Voorzichtig knijp ik in mijn arm.
    ‘Wat zit je raar te doen Rosalie?’ Zowel Robbie als zijn lichtgevende vriend kijken mij vreemd aan. ‘Ik ken hem inderdaad al langer. Hij komt hier om zijn uimteschip op te laden.’
    Obbie in zijn uimteschip? Ik snap er helemaal niets meer van. ‘Zijn uimteschip?’
    ‘Nouja, het is een ruimteschip, maar voor hem noem ik het een uimteschip. Op zijn planeet hebben ze de letter R niet. Ze hebben helemaal niets waar de letter R in zit. Het is niet zo dat ze die letter alleen maar niet kunnen uitspreken, dat was wat ik zelf eerst ook dacht. Toch Obbie?’
    Obbie knikt.
    Mijn mond zakt steeds verder open en vraag mij af wanneer ik wakker ga worden. ‘Jullie moeten het mij echt even goed uitleggen hoor. Ik snap er niets van!’
    ‘Oké, ik zal het proberen uit te leggen,‘ reageert Robbie. ‘Als jullie thuis aan het eten zijn Obbie, met wat eten jullie dan? Hebben jullie bestek?’
    ‘Ja, een mes en een lepel.’
    ‘Geen vork?’ Ik kijk hem vragend aan.
    ‘Nee, dat hebben wij niet.’
    Ik probeer het voor mij te zien. Links van zijn bord zijn lepel en rechts van zijn bord zijn mes. Maar wacht even. Een bord? Ook daar zit de letter R in. Dat kan helemaal niet. Of wel? ‘Ligt jouw eten op een bord?’
    Hij schudt met zijn hoofd. ‘Dat hebben wij niet. Bij ons ligt het eten op een schotel.’
    Er glipt ineens hoge giechel uit mijn keel. Ik schrik er zelf van. ‘Maar een bord is toch ook een soort schotel?’
    Ineens springt Robbie in. ‘Dat dacht ik dus ook, maar ze hebben gewoon geen borden en dus kan het dus ook niet hetzelfde zijn. Als je daar goed over nadenkt Rosalie, dan klopt dat toch? Ze hebben wel dingen die erop lijken. Zo woont Obbie in een huis zonder ramen, maar wel met stukken glas in de wand. Muren hebben ze niet, daar zit die letter R weer in. Daarom hebben zij wanden. Obbies huis heeft bijvoorbeeld ook niet meerdere verdiepingen, maar dat is niet zo heel erg want ze hebben toch geen trap.’
    Uit frustratie sla ik mijn handen voor mijn gezicht. Waarom is dit allemaal zo moeilijk. En waarom sta ik hier met een lichtgevende jongen uit de uimte (haha) te praten over muren, ramen, trappen en verdiepingen? Ik probeer het echt te begrijpen hoor. ‘Maar Obbie, als jullie geen trap hebben, kan je dan geen lift gebruiken?’
    Hij schudt zijn hoofd. ‘Dat hebben we een keer gedaan, maar dat ging niet goed.’
    ‘Maar dan kan je toch daarmee naar de eerste verd..’ Oh wacht. De eerste. Zij hebben geen eerste. ‘Ik heb de oplossing. Dan ga je met de lift naar de tweede verdieping.’
    Nu slaat Robbie zijn handen voor zijn ogen. Ik kijk hem vragend aan. ‘Wat? Dat is toch een goede oplossing?’
    ‘Hoor je zelf wel wat je zegt Rosalie?’
    ‘Ja, de tweede verdieping.’ Aaaaaaahhh. Verdieping. Ze hebben geen verdiepingen en ze kunnen ook niet naar de zolder of de kelder. Wat enorm vermoeiend. Voor mij dan, want Obbie kent ook dat niet. Hij is nooit gefrustreerd. Geen frustratie omdat je ouders ruzie maken. Geen ruzie. Hm. ‘Jouw papa en mama maken dus ook geen ruzie?’
    Zijn lichtgevende glimlach schudt nee. ‘Ze weten niet eens wat dat is.’
    Dat is dan wel weer een voordeel. Ik kijk in de richting van ons huis en vraag mijzelf af of er al een wapenstilstand is. Ook al maken ze veel ruzie de laatste tijd, het zijn wel mijn ouders. En ik hou van zowel mijn vader als mijn moeder. Heel even vraag ik mijzelf af of we niet met zijn allen in dit uimteschip kunnen stappen. Geen problemen meer. Sowieso kent Obbie geen problemen. Nog een voordeel. Maar ik kan Floortje toch niet achterlaten? Mijn lieve hond. Op een planeet zonder hondenbrokken wordt het toch snel lastig. Wat een lastige keuzes allemaal.
    ‘Zijn je papa en mama ongelukkig?’ De stem van Obbie trekt mij ineens weer terug in de realiteit. ‘Je kijkt alsof je moet huilen.’
    Meteen daarna rolt er een traan uit mijn ogen. Ik pink hem weg en snuit mijn neus in de mouw van mijn badjas. Zo, die kan straks ook weer in de was. ‘Nou Obbie, ik denk niet dat ze echt ongelukkig zijn, maar ze maken gewoon vaak ruzie. Dan gaan ze hard praten en met dingen gooien.’
    Obbie kijkt schuin omhoog, misschien wel naar de planeet waar hij vandaan komt. ‘Mijn papa kan ook veel geluid maken en mijn mama gooit weleens met dingen. Vaak komt dat omdat ze pijn voelen.’
    ‘Misschien omdat ze zich zorgen maken?’
    Robbie geeft mij een por in mijn zij en meteen begrijp ik waarom. ‘Denk je dat het komt omdat ze twijfels hebben? Of angst? Of misschien… ik weet het eigenlijk niet.’
    ‘Ze willen gewoon dat jullie gelukkig zijn.’ Obbie zijn lichtgevende glimlach heeft een gerustellende uitstraling. ‘Geef ze gewoon een knuffel. Zeg dat je van ze houdt. Pak ze beet.’
    Het klinkt zo simpel, maar tegelijkertijd ook wel logisch. We willen allemaal gelukkig zijn. Terwijl ik nog nadenk over deze vreemde ontmoeting, zie ik dat Obbie naar zijn uimteklok op zijn pols kijkt. Hij maakt een opmerking over dat alles volledig is opgeladen en dat het tijd is om te gaan. Mijn oudere broer geeft hem een omhelzing en snel daarna doe ik hetzelfde. Obbie loopt naar binnen. De metalen ophaalbrug gaat langzaam omhoog en ik pink nog een traan weg. Het licht begint weer langzaam rond te draaien, de kermis is terug. De grote metalen pot pindakaas stijgt op. Het zoemt. Het sist. Obbie zwaait, wij zwaaien, de lucht is weer leeg. Samen met Robbie loop ik terug naar binnen. Het is gelukkig stil. Geen harde woorden. Geen rondvliegend servies. Mijn ouders zitten tegen elkaar aan op de bank naar een film te kijken.
    Mijn moeder draait zich ineens om en kijkt ons vragend aan. ‘Wat doen jullie uit bed?’.
    ‘We hadden dorst,’ reageert Robbie.
    ‘Ja, even een slokje water drinken.’ Ik kijk meteen Robbie aan en we gniffelen geruisloos.
    Op de trap naar boven maakt Robbie een grapje. ‘Een slokje wate dinken.’
    ‘Ja, want ik had dost’.
    We schieten beide in de lach en gaan daarna naar onze slaapkamer. Wat een bizarre avond. Obbie en zijn uimteschip. In onze tuin. Terwijl ik zachtjes in slaap val, droom ik dat hij snel weer terugkomt.
    De volgende ochtend loop ik samen met Robbie naar mijn ouders. ‘Geen ruzie meer maken, oké?’
    Mijn moeder trekt mij naar haar toe en geeft een stevige knuffel. Robbie en mijn vader komen er ook bij. ‘Wij houden van jullie.’
    ‘En wij ook van jullie.’

Marelle Boersma had een schrijfwedstrijd georganiseerd met als titel ‘De rommelzolder’. De doelgroep was dit keer een jong publiek, van 8-12 jaar oud. Dit was de eerste keer dat ik voor deze doelgroep had geschreven. Qua woordkeuze was het even stoeien, maar ik hoop dat ik hiermee een leuk verhaal heb neergezet met een vleugje fantasie en humor. Mijn jongere ik heeft er erg van genoten om dit te schrijven. Helaas heb ik niet gewonnen, maar het was erg leuk om mee te doen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *