De omweg naar Parijs

De stank is van buitenaf te ruiken. Zweet, kots en schraal bier. Voor ieder normaal mens is dit een ondragelijke lucht, maar ik draai de sleutel om en stap de wereld in die ik thuis noem. Achter de deur schuift een stapel post verder de gang in. Tot vorige week nam ik nog wel eens de moeite om het uit te zoeken, maar sinds Ron zijn baan is kwijtgeraakt en hij meer dood dan levend op de bank ligt, vertik ik het om er ook maar naar om te kijken. Het laatste semester van mijn opleiding is ingegaan en met het beetje geld dat ik de afgelopen jaren van hem of van zijn dronken vrienden heb gestolen, is het gelukt om een klein overlevingspotje op te bouwen. Ik droom van ontsnappen, elke dag opnieuw. Weg uit deze puinhoop en weg bij hem. Een normaal leven. Iets opbouwen voor mijzelf zodat ik alles uit mijn verleden achter mij kan laten om het daarna voor altijd te vergeten.
    Ik schuif de magnetronlasagne in het apparaat en druk op de knop. Terwijl het apparaat de maaltijd zoemend ronddraait, kijk ik om de hoek van de woonkamer. Vanuit zijn ooghoek kijkt hij terug. Verder geen reactie, alleen een harde boer. Zijn vlekkerige overhemd zit half in zijn broek gepropt en zijn riem hangt los om zijn middel. Op de tafel en de bank naast hem is het resultaat zichtbaar van drie dagen non-stop drinken. Het wemelt van ingedeukte blikjes en bij een kartonnen doos cirkelen meerdere vliegen die zich verschansen aan restanten pizza en braaksel.
    ‘Dat wijf heeft weer voor je gebeld.’
    Ah hij kan toch nog praten. Door de jaren heen heb ik een nieuw dialect leren verstaan, het dronken dialect. Ook dat is voor de meesten niet verstaanbaar, hij slikt de helft van zijn woorden in en stopt soms halverwege een zin omdat hij vergeten was wat hij wilde vertellen. ‘Wie bedoel je?’ Wie heeft er gebeld?’
    ‘Summer. Sumpter. Suffer. Patricia nog iets.’
    ‘Patricia Sumter van Jeugdzorg?’
    ‘Ja, die. Zeg maar dat ze op moet flikkeren. Die sufkut blijft maar terugbellen.’
    Godverdomme. Waarom hoor ik dat nu pas? In de verte pingt de magnetron en met een wilde draai storm ik de kamer uit. Dit is echt niet meer uit te houden. Met een ruk en half verbrande vingers trek ik het bakje op een bord en stampvoet naar mijn kamer. De stoom geurt mijn kamer terwijl de telefoon overgaat. Ik plof tegen het kussen op mijn bed en pulk een stukje kaas van de maaltijd af.
    ‘Ik heb nieuws over je moeder,’ zegt Patricia nadat we de formele hoi en hoe gaat het hebben afgerond.
    Meteen voel ik de woede weer naar boven komen. ‘Vorige keer zei ik toch al dat ik geen behoefte heb om haar te spreken? En ik zou het erg fijn vinden als je haar geen moeder noemt. Een echte moeder laat haar kind niet in de steek.’
    Het blijft even stil aan de andere kant van de lijn. ‘Ik weet hoe je over de situatie denkt, maar er is toch iets wat je moet weten. Het is belangrijk dat je het weet, voordat je haar voorgoed afschrijft in je leven.’
    De dampende vork valt terug in het bakje. Ik worstel mijzelf uit het kussen en kijk naar buiten. ‘Je gaat mij toch niet overhalen Patricia. Ik heb tien jaar gedroomd dat ze ineens weer voor de deur stond. Tien jaar. Bij mijn deur stond een koffer klaar, altijd. Soms viel ik in slaap met mijn schoenen aan zodat ik meteen met haar kon wegrennen als ze kwam, maar ze kwam niet. Het is niet dat ik haar afschrijf in mijn leven, nee, dat heeft zij bij mij gedaan. Gedumpt als een hoop vuil.’
    ‘Zo voelde dat inderdaad en al je emoties zijn terecht.’
    ‘Maar?’
    ‘Ze kon niet anders. Ze had geen keuze.’
    Patricia wilde meteen doorpraten, maar ik kapte haar af. ‘Hoezo geen keuze? Werd ze hiertoe gedwongen of zo? Wat is dat nu weer voor een belachelijk iets.’
    Een hele diepe zucht. En nog een. ‘Ja. Daar komt het wel op neer ja. Ik heb vorige week met haar gesproken en je moeder is een slachtoffer geweest van gedwongen prostitutie. Al vanaf haar vijftiende jaar, een jaar voordat jij werd geboren. Op latere leeftijd hebben ze haar dagelijks drugs gegeven om haar afhankelijk te maken en werd ze lichamelijk mishandeld als ze toch probeerde te ontsnappen.’
    De puzzel klapt ineens hard in elkaar. In de laatste week voordat ze mij bij Ron dumpte, zat ze onder de blauwe plekken. Van de trap af gevallen, zei ze toen.
    ‘Paris, ben je er nog?’ Het medeleven kroop door telefoon.
    ‘Ik… ik weet niet wat ik moet zeggen.’ Een traan loopt over mijn wang naar beneden.
    ‘Je hoeft niets te zeggen meis. Dit had jij nooit kunnen verwachten. Dit had niemand kunnen verwachten, maar zoals het er nu op lijkt, heeft ze je niet verlaten. Ze heeft binnen haar mogelijkheden geprobeerd je te beschermen. Ik had je dit liever persoonlijk willen vertellen, maar je vader…’
    ‘Hij is mijn vader niet.’
    ‘Sorry, ik zeg het inderdaad helemaal verkeerd. Ron zei elke keer dat je weg was en dat hij niet wist wanneer je terug zou komen. Mag ik je morgenochtend komen ophalen? Ze wil je heel graag zien.’
    Het bakje lasagne kijkt mij minder dampend aan, maar de lucht ertussen is troebel. Ik mompel ja, zeg gedag en laat de telefoon langzaam uit mijn handen glijden. Jezus, dit is toch niet te geloven? Tien jaar lang verdriet en een muur om mij heen waar nog geen tank door naar binnen kon rijden, maar één telefoontje trekt alles omver. Niets van wat ik dacht is waar en in een flits zie ik fragmenten terug van vroeger. We woonden in een portiek rondom een klein speeltuintje. Ze had daar een heleboel vriendinnen die net als haar met rode lippenstift en mooie jurken rondliepen. Ik was er trots op dat mijn moeder zoveel vrienden had, daar kreeg ze ook vaak mooie cadeaus van. Heb ik dat echt altijd zo verkeerd ingeschat? Romantiseerde ik alles aan ons knusse woning? We waren niet rijk, maar ik was gelukkig en ik dacht dat zij dat ook was.

Door de glazen wand zie ik haar al voordat ze mij ziet. Ze is een stuk magerder dan ik mij kan herinneren en de glans ontbreekt, zowel in haar gezicht als in haar lange haar. Patricia tikt op het raam en de ogen van mijn moeder schieten onze kant op. Haar hand vliegt naar haar mond en verdriet trilt over haar gezicht. De emotie springt door het raam en verkrampt elke spier in mijn lichaam. Ze volgt ons langs het raam naar de bezoekersruimte en onderweg raken onze vingers een paar keer op dezelfde plek het glas aan. Jezus, ik was zo enorm sceptisch geweest, zelfs na het hele verhaal dat ik over de telefoon en net onderweg nogmaals hoorde. Echt geloven doe ik het pas als ik het zie, had ik meerdere keren gezegd. Ogen liegen niet.
    Aan het eind van de gang lopen we door de deur en ineens sta ik recht voor haar. Het is onwennig, pakken we elkaar beet? Raken we elkaar aan? Wat zeggen we?
    ‘Wat ben je groot geworden… en zo mooi.’
    Meteen schiet ik vol en spring in haar armen. Een knuffel die voor mij wel eeuwig zou mogen duren. Haar lichaam schokt, ze haalt haar neus op en er lopen tranen in mijn nek. Nadat we zeker zo een minuut hebben gestaan, stelt Patricia voor om even te gaan zitten. Ze schenkt drie glazen water in en pas als ik haar aankijk, zie ik dat ze net als ons ontdaan is.
    ‘Crystal, ik wil je vragen of je Paris nu hetzelfde verhaal wil vertellen als wat je mij vorige week hebt verteld.’
    Mijn moeder neemt een slok, pakt mijn hand beet en knikt bevestigend. ‘Ja, het is tijd dat je alles hoort. Het is geen mooi verhaal, ik heb je inderdaad in de steek gelaten, daar kan ik niets aan veranderen. Ik ben enorm dom en naïef geweest als tiener. Foute keuzes gemaakt, keer op keer. Totdat ik zo vastzat dat ik er niet meer uitkwam, niet alleen. Ik wilde…’ en ineens krijgen haar tranen de overhand.
    Alles aan haar lichaam trilt en Patricia pakt nu ook haar andere hand vast. Onderling wisselen ze nog wat blikken uit. Mijn moeder haalt nog een paar keer diep adem, drinkt een slok water en begint te vertellen. Het begon allemaal met haar droom om naar Parijs te gaan. Ze voelde zich machteloos door de situatie thuis en haar vader zou haar jarenlang misbruikt hebben. De stap naar prostitutie leek initieel heel groot, maar was in de praktijk enorm klein. Op zijn minst zou de ongewenste seks dan iets opleveren en het zou maar voor een korte periode zijn, net voldoende om de eerste paar weken in Parijs te kunnen overleven. Maar de val sloot zich om haar heen voordat ze het doorhad. Ze raakte zwanger. Snel daarna kwam de drugs en meteen daarna de bedreigingen. Als ze weg zou gaan, dan zou ze haar dochter moeten achterlaten. Met haar rug tegen de muur liet ze het over zich heenkomen en langzamerhand begon het leven uit haar weg te vloeien. Dromen smolten weg en alle eigenwaarde werd tegen een slechte spiraalbodem van het bed weggestoten. Toen haar dochter zes jaar oud was, kwam er een nieuw slag klanten, die wilden grof betalen voor een zesjarig meisje. Haar eigen lichaam was niets meer waard, maar dat van haar dochter, nee, dat zou te ver gaan. Noodgedwongen gaf ze haar dochter mee aan één van haar trouwe klanten, Ron Klaver. Hij had het adres van familie en zou haar daar afzetten. In de jaren daarna bezocht Ron haar nog steeds regelmatig, hij vertelde verhalen over hoe Paris naar school ging, vriendinnetjes had en dat ze gelukkig was. Na de mooie verhalen liet hij zijn broek zakken, vulde haar mond en betaalde de pooiers.
    Met dat laatste in gedachten loop ik na een enorm emotioneel gesprek van bijna twee uur het pand uit. Ron, godverdomme. Ik heb dus wel familie. Tijdens het gesprek ontweek ik elke vraag over waar ik nu woonde. Mijn moeder is door een hel gegaan en ik wilde de droom van tien jaar lang geluk voor haar dochter niet lekprikken. En ineens was het zo enorm duidelijk. Ontsnappen wilde ik al langer, dit zou mijn overlevingspotje alleen maar gaan spekken.

De volgende ochtend stap ik opnieuw de afkickkliniek binnen. Het ratelende geluid van de trolley achter mij klinkt net als Ron gisteravond. Het was een ongeluk, dat is wat iedereen zou zeggen. Niemand zou mijn handschoenen vinden en niemand zou mij verdenken als dader. De woonkamer zag er nog steeds hetzelfde uit als de vorige dag, nu alleen nog meer lege bierblikjes en een kapotte tafel. Ron lag niet meer op de bank, maar tussen de scherven op de grond. Voorovergevallen met zijn bezopen kop en ongelukkig genoeg was één van de scherven in zijn borstkas terechtgekomen. Hij klauterde nog een paar keer omhoog en keek mij ongelovig aan toen ik de naam Crystal noemde. Dit keer verstond ik zijn dronken accent niet meer, het trolleygeluid pruttelde uit zijn keel en hij hoestte spetters bloed op. Misschien wilde hij mij vertellen dat hij mijn vader was, maar ook dat puzzelstukje kon ik zelf nu wel invullen. Het maakte niet meer uit.
    Zodra ze mij ziet springt mijn moeder uit haar stoel.
    ‘We gaan weg ma. Weg van alles.’
    Ze kijkt mij aan en begint te huilen. ‘Waar gaan we heen dan schatje?’
    ‘Waar je altijd al heen wilde en waarom je mij zo genoemd had. Maar deze keer ontsnappen we samen.’

Bovenstaand verhaal was geschreven voor een wedstrijd die ik helaas niet heb gewonnen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *